Onderstaand verhaal is opgetekend door Jeske Jongerius, vlak voor de levensbeeïndiging van Frank. Op 21 april 2026 is Frank overleden.
‘Ik heb het eerste deel van mijn leven flink gefeest en er een zooitje van gemaakt. Maar daarna heb ik met mijn ervaringen wel wat kunnen betekenen. Ik ben niet ontevreden.’
Frank van der Schee (57 jaar), straatadvocaat en ervaringsdeskundige in dakloosheid, blikt in aanloop naar zijn levensbeëindiging terug op zijn leven. Zelfregie is voor hem leidend, tot aan het einde. Over een paar weken verwacht hij afscheid te nemen. ‘Dat doe ik dan niet met een slecht gevoel. Dat had ik dertig jaar geleden niet verwacht.’
Het einde van het feestje
Zijn laatste weken brengt Frank door in een verpleeghuis van Humanitas in zijn stad Rotterdam. Hij is bijna blind en snel buiten adem. ‘Hoe ik hier nu bij zit, is een direct gevolg van mijn dakloosheid,’ zegt Frank. Alles wat hij leuk vindt om te doen, kan niet meer. Daarmee is het voor hem wel mooi geweest, ‘ik ga liever voor het einde van het feestje weg, dan wanneer het feestje afgelopen is.’
Hoewel zijn lichaam achteruit gaat, komt Frank volledig tot leven en straalt hij wanneer hij vertelt over wat hem het gelukkigst heeft gemaakt: zijn werk als straatambassadeur en straatadvocaat.
Wat een straatadvocaat doet? ‘Zo min mogelijk,’ zegt Frank resoluut. ‘Zorgen dat een ander z’n werk doet. Dat betekent dat ik mensen bij het Leger des Heils op hun klote geef omdat ze hun werk niet doen. De gemeente op de klote geef omdat ze het traject van die meneer frustreren. Niet luisteren naar de cliënt. Als straatadvocaat probeer je naast de cliënt te staan om te kijken of je voor elkaar kunt krijgen wat hij wilt.’
Dat lukt soms wel, en soms ook niet. Maar zelfs dan doet het iemand goed om te voelen dat die gesteund wordt, hoort Frank terug.
Vertaler van de straat
In de collectieve belangenbehartiging ontdekte Frank zijn grote bevlogenheid. Hij spreekt bijvoorbeeld in op raadsvergaderingen en heeft ‘aardig wat contact met ministertjes en politici.’ Daarin heeft Frank ook successen geboekt.
Zo nam hij op een strenge winterdag een politicus mee op sleeptouw naar het Leger des Heils in Den Haag. ‘Het was min twaalf buiten, het waaide als een gek en sneeuw kwam het bakken naar beneden.’ Toch werden mensen geweigerd omdat de nachtopvang vol zat. Frank liet de politicus deze realiteit zien. ‘Binnen 24 uur hadden we een extra nachtopvang geopend in Den Haag.’
Wat Frank doet, is de kennis van de straat naar de staat brengen. ‘Beleidmakers zitten beleid te maken. En dat ziet er op papier best leuk uit. Maarja mensen zijn niet standaard, die doen hun eigen ding. Dus het werkt niet zoals het volgens het schemaatje moet werken.’ Met voorbeelden maakt Frank beleidsmakers en politici duidelijk hoe beleid in de praktijk uitpakt.
‘Het belangrijkste wat ik ooit heb kunnen realiseren, is dat kinderen die dakloos zijn, gewoon naar school kunnen. Dat was tot een paar jaar terug niet zo.’ Frank kaartte dit aan in de Rotterdamse gemeenteraad. In Rotterdam is dit vervolgens veranderd. En die verandering is doorgezet naar de landelijke politiek. ‘Het is zo’n klein regeltje,’ zonder inschrijving kun je niet naar school, ‘maar kinderen gingen er aan onderdoor. In het jaar dat hun moeders in een blijf van mijn lijf huis zaten, kregen zij geen onderwijs en raakten hun vriendjes kwijt.’
In zijn rol als straatadvocaat en belangenbehartiger herontdekt Frank ook zichzelf. ‘Het was geen werk, het was een roeping.’ Een roeping die hij heeft gevonden nadat zijn eigen leven. naar eigen zeggen, ‘naar de klote ging’ en hij op straat belandde.
Niet conform de norm
In Frank zijn tijd op straat kwam zo’n 80 procent van de dakloze mensen uit de jeugdzorg. ‘Ik was die overige 20 procent,’ zegt Frank. De jongens uit de jeugdzorg hebben volgens hem nooit een eerlijke kans gehad, ‘mijn dakloosheid was een gevolg van mijn eigen keuzes.’
Toch wijst hij ook schakelmomenten aan. Als het op jonge leeftijd anders was gelopen, had zijn leven er misschien anders uitgezien. Als jongetje was Frank altijd buiten. Ravotten in het bos, vissen, niet om iets te vangen, maar om eindeloos te kunnen staren, zijn hoofd leeg.
Frank wist wat hem gelukkig maakte. En hij wist ook wat hij wilde: naar de LTS (de Lagere Technische School), maar zijn ouders hadden een ander plan. Frank had een hoge Cito-toetsscore, van zijn ouders moest hij daarom naar het gymnasium. Tussen ‘dat elitaire zooitje’ voelde Frank zich een buitenbeentje. Sowieso voelde hij zich altijd ‘anders’ dan de rest, maar in een gezin waar ‘doe maar normaal’ het motto was, was daar geen ruimte voor.
Veel later kreeg hij de diagnose ADHD, maar op jonge leeftijd wist Frank alleen dat hij afweek van de norm. Hij zoekt een manier om zich sociaal een houding te geven en zichzelf te verdoven. Dat vond hij in drank en drugs.
‘Ik rookte op mijn negende, blowde op mijn twaalfde en op mijn veertiende zat ik aan de coke.’ Drinken deed Frank ook. ‘Het lullige is: ik heb ADHD, dus ik ben verslavingsgevoelig als de tering. Dus ik ben overal aan blijven hangen.’
Frank wordt van het gymnasium gestuurd naar het atheneum, en van daar naar de HAVO. Daar gaat hij wél over, maar met het verzoek zijn ‘opleiding elders voort te zetten.’ Terwijl Frank afglijdt op school, ontdekt hij het criminele circuit.
Een gevaarlijke balans
Frank haalt uiteindelijk een mbo-diploma. Maar zijn criminele activiteiten leiden ertoe dat hij korte tijd in de bak belandt. Eenmaal daaruit wordt zijn aandacht gegrepen door een advertentie van de sociale dienst, die medewerkers zoekt. Frank solliciteert en wordt aangenomen, mede dankzij de hulp van zijn broer die zijn eigen ‘Verklaring Omtrent Gedrag’ (VOG) vervalst voor Frank.
Doordeweeks werkt Frank voor de sociale dienst, in het weekend verdient hij bij met het dealen van cocaïne. Die balans tussen de legaliteit en illegaliteit zet door tijdens zijn volgende banen. Net als zijn eigen gebruik. Ondanks een goed salaris en een clandestiene bijverdienste, ging er drie keer zoveel geld uit als dat er binnen kwam.
‘Met mijn levensstijl zou je normaal gesproken met je 25e wel tegen de muur lopen, maar op een of andere manier wist ik daar om heen te laveren. En kon ik het veel langer volhouden.’ Toch weet Frank dat het onvermijdelijk een keer zal knappen en ergens lijkt dat ook de enige uitweg.
‘Ik wist van mezelf dat ik een soort toneelspel speelde. Toen al had ik in gedachte: als ik eenmaal naar de klote ga, kan ik mezelf opnieuw uitvinden.’ Dat gebeurt uiteindelijk als Frank dakloos wordt. ‘Ik had helemaal niks meer om te verliezen.’
Rechteloos op straat
Frank komt bij het Leger des Heils terecht. Daar verwacht hij snel geholpen te worden. ‘Die mensen zien zo dat ik er niet zo eentje ben als de rest, die hebben allemaal zware verslavingsproblematiek.’ Frank is zich nu bewust van zijn ideeën toen: ‘Ondanks dat ik dat ook heb, zag ik dat bij mijzelf heel anders. Het is heel mooi hoe je jezelf zo kan bedonderen,’ zegt Frank lachend. Ook denkt Frank op dat moment: met een jaartje ben ik wel weer opgekrabbeld. ‘Maar ik heb tien jaar op straat gelopen. Dat komt omdat de hulpverlening heel slecht werkt.’
Wat Frank nodig heeft is ‘een stukje geestelijke ondersteuning en iemand die mij helpt om mijzelf weer opnieuw uit te vinden.’ Maar in de tien jaar dat hij bij de dagopvang van het Leger des Heils komt, krijgt hij nooit de vragen: ‘Waarom ben je hier eigenlijk? Hoezo ben je dakloos geworden? Kan ik iets voor je doen?’
‘Het enige wat ze doen is een bak koffie inschenken en een bak soep geven.’ Frank weet vanuit zijn ervaring in de cliëntenraad dat de opvang 1,3 of 1,4 miljoen euro aan subsidie krijgt. ‘Daar krijgen 60 mensen twee, drie bakken koffie voor per dag. En een bak soep. Dat is duur betaald.’
Volgens Frank zijn dakloze mensen als cliënt een verdienmodel voor stichtingen die ooit met ideële intenties zijn opgericht, maar uiteindelijk vooral zichzelf draaiende houden, en dat maakt hem boos. Hij vertelt dat dakloze mensen geen zeggenschap krijgen in hun hulpvraag of het traject en dat zelfs medicatiegebruik verplicht wordt gesteld. En dat wanneer iemand daartegen ingaat, deze wordt gezien als ‘zorgmijder’. Dan mag iemand niet in de opvang slapen. Zo belandt ook Frank op straat.
Dakloze mensen worden niet serieus genomen, realiseert Frank zich. Omdat hij het sociale systeem van binnenuit kent en een slimme man is, kan hij voor zijn rechten opkomen, maar hij ziet dat dat anderen niet lukt.
‘Dan gingen ze bijvoorbeeld naar de Sociale Dienst om een uitkering te regelen, maar ze kwamen eruit met een gebouwenverbod. Omdat ze daar in conflict kwamen met de mensen en niet zo netjes konden praten als jij en ik.’ Dat er conflict ontstaat vindt Frank niet gek. ‘Mensen worden zo gefrustreerd door de vragen en het onbegrip aan de andere kant, dat ze agressief worden.’ Met als gevolg dat dakloze mensen niet krijgen waar zij recht op hebben. ‘Toen ik dat zag, ben ik met mensen meegegaan.’
Een roeping met voldoening
Tijdens zijn dakloosheid begint Frank andere dakloze mensen te helpen. Het lukt hem wél om bijvoorbeeld uitkeringen voor hen te regelen. Hij volgt ook een cursus tot straatambassadeur voor extra handvatten hierin. ‘Vanaf dat moment begon ik zelf ook weer te groeien. Het feit dat je nuttig bent, maakt ook dat je trek in de dope afneemt. Want je bent met iets leuks bezig.’
In de belangenbehartiging bij Straat Consulaat vindt Frank zijn roeping, daar ‘empoweren ze mensen,’ vertelt Frank. Hij organiseert de achterban, kaart problemen aan en ontwikkelt zich tot een straatambassadeur, en later straatadvocaat, met impact.
‘Als je dakloos raakt word je in een verdomhoekje geschopt en afgeschreven. En is het ongelofelijk moeilijk om daaruit te komen. Het hele systeem werkt tegen je.’ Frank is naast mensen gaan staan en heeft zich ingezet om dat te veranderen. Dit geeft hem voldoening als hij terugkijkt op zijn leven. ‘Het had allemaal anders kunnen lopen, maar ik heb geen spijt,’ zegt hij. ‘Ik heb wat kunnen doen. En ik heb mij nuttig gevoeld.’
Frank vindt in deze laatste periode van zijn leven berusting in zijn levensloop. Als hij niet dakloos was geraakt, had hij ook niet ontdekt hoe sociaal betrokken hij is. Hij heeft anderen geholpen hun recht te halen. Hij heeft gestreden voor een samenleving waarin dakloze mensen ertoe doen en meedoen. Toch zijn zij nog steeds tweederangs, misschien wel derderangs of zelfs vierderangs burgers, zegt Frank. En dát raakt hem nog altijd en kan hij moeilijk loslaten.
Misschien dat hij daarom nog een laatste keer zijn verhaal deelt. In het luisteren daarnaar, en naar mensen die Frank kennen, voel ik dat de zaadjes die hij heeft gepland door zullen groeien. Ook nadat Frank afscheid heeft genomen.
Frank heeft zich onder meer ingezet als straatambassadeur bij Straat Consulaat, straatadvocaat in Rotterdam en hij was te zien in ‘Het Rotterdam project’ met Beau van Erven Dorens.

